Het Grote-Stenen Principe

Kun je uitleggen waarom jullie de kinderen niet zo vaak prijzen? vroeg een vriendin me laatst. Ik was aangenaam verrast door de vraag en de oprechte interesse in onze ideeën. Ik vond het lastig en tegelijkertijd leuk om onder woorden te brengen wat vooral een gevoel is.

In onze ogen is de maatschappij waarin we leven te prestatiegericht. Er wordt van alles (onnodig) gemeten en beoordeeld, en er is te weinig aandacht voor gevoelens en ervaringen, en het delen daarvan. Toen ik moeder was geworden, werd ik me ervan bewust dat ik een andere balans* wilde. Niet alleen in het ouderschap, maar in mijn hele leven. De omgang met onze kinderen weerspiegelt immers wie wij zijn.

Onze kinderen zijn nieuwsgierig, leergierig en gedreven geboren. Niet prestatiegericht. Ik geloof dat kinderen mensen van nature leren en zich ontwikkelen, ook zonder straffen, belonen of prijzen. Sterker nog, ik geloof dat mensen zich beter kunnen ontwikkelen en gelukkiger kunnen worden zónder manipulatie van buitenaf. Als een kind bijvoorbeeld leert lopen, wordt het vaak van alle kanten geprezen voor zijn stapjes. Dat is in mijn ogen onnodig voor het leerproces, schadelijk voor het gevoel van eigenwaarde, en zonde van een gemiste kans op het gebied van gevoelens, ervaringen en contact tussen ouder en kind.

Maar als we niet (veel) willen prijzen, wat doen we dan wel? Ik gaf het eerder al een beetje aan: we richten ons op gevoelens en ervaringen. Ik zal een voorbeeld geven. Stel, je kleuter heeft een tekening voor je gemaakt en komt die enthousiast laten zien. Instinctief zullen de meeste mensen willen reageren met iets in de trant van: O, wat een mooie tekening! De intentie van het kind is echter niet om iets moois te maken, of knap gevonden te worden. Het kind wil contact. En om dat te bereiken, proberen wij ons te richten op gevoelens en ervaringen. We zeggen bijvoorbeeld: O, wat lief van je! Daar ben ik blij mee! En we vragen of zeggen iets over de tekening zelf. Vragen wat het is, waarom hij juist dát getekend heeft, iets zeggen over de gebruikte kleuren. Er zijn talloze mogelijkheden. Ik merk dat ik zelf steeds makkelijker alternatieven zie, nu ik een poos geoefend heb. :-)

Lars H. Gustafsson schrijft in zijn boek Växa – inte lyda (Groeien – niet gehoorzamen) over wat hij het Grote-Stenen Principe noemt. Hier in Zweden liggen overal grote stenen (rotsen) waar de kinderen op klimmen en klauteren. Lars Gustafsson beschrijft een kind dat op een grote steen is geklommen en roept naar vader of moeder: kijk eens! Volgens Gustafsson zijn er drie soorten reacties van ouders:

  1. Ongerustheid uiten
  2. Prijzen
  3. Het Grote-Stenen Principe

De eerste, het uiten van ongerustheid, wil ik alleen als de situatie echt onveilig is. Ik probeer het zoveel mogelijk voor mezelf te houden. O, wat vind ik dat soms moeilijk! De tweede, wat knap dat je helemaal zelf op die steen bent geklommen!, komt misschien wel het meeste voor, maar is vaak helemaal niet waar het kind mee bezig is. Het kind wil contact. Het wil gezien worden, en zegt dat ook letterlijk: Kijk eens! Door de nadruk te leggen op de prestatie van het kind, geef je de boodschap dat je iets moet presteren om gezien te worden.

De derde categorie reacties gaat uit van de belevingswereld van het kind en je daarin verplaatsen. Het kind wil dat je kijkt. En dus kijk je en zwaai je. Of je vraagt of hij een mooi uitzicht heeft daarboven. Of je vraagt of hij de wind in zijn haren voelt. Of wat je dan ook te binnen schiet als je naar je kind kijkt.

Het Grote-Stenen Principe. Ik vind het een mooi uitgangspunt. Ik heb al een hoop over mijn kinderen geleerd door ze te observeren. Ik word gelukkig door het contact. En door minder naar prestaties te kijken, leer ik zelf ook steeds beter om niet te dóen, maar gewoon te zíjn.

* Ik schrijf bewust een andere balans, omdat ik prestatiegerichtheid niet per se verkeerd vind, maar wel te overheersend.

Advertenties

Babygebaren 2.0

Net als destijds met Jip, zijn we nu ook met Pluk heerlijk aan het gebaren. Het begin was weer even lastig; we moesten onszelf eraan herinneren om de gebaren te maken. Maar toen Pluk net 9 maanden was, maakte ze haar eerste gebaar. En dan word je als ouder vanzelf enthousiast. :-) Een tijdje bleef het bij drie gebaren: meer, spelen en klaar. Grappig, want met Jip hebben we een soortgelijke ‘gebarenpauze’ gehad. Een maand geleden begon ze opeens meer gebaren te maken, en nu maakt ze er al bijna 20!

De dag begint meestal met het gebaar voor kaas – haar lievelingsvoer. Dat gebaart ze – niet overdreven – vaak nog voor ze haar bed uit is. Door de dag heen komen de gebaren voor klaar, meer, op, eten en drinken veelvuldig voorbij. Verder vindt ze het erg leuk om met de lamp te spelen, vooral de lamp met de dimmer. Muziek is nog een favoriet. En met een zingende Jip in huis, kan ze dat gebaar ook veel maken. Daarbij doet ze alle gebaren van het liedje Imse vimse spindel / Hansje pansje kevertje vrolijk mee, iedere keer dat Jip het zingt.

Jips eerste gebaar was boeklezen was zijn absoluut favoriete bezigheid. Tot voor kort kon Pluk niet stilzitten en waren boeken niet aan haar besteed. Maar opeens is ook zij verliefd geworden en duwt de ganse dag boeken onder onze neus. Als ze alleen al het woord boek hoort, vouwt ze enthousiast haar handen open en dicht.

Het allermooiste van babygebaren vind ik, net als destijds bij Jip, het geluk op Pluks gezicht als we haar begrepen hebben. Dolblij! Ze heeft ook al weken geen driftbui meer gehad; ik heb het gevoel dat babygebaren daaraan bijdragen.

We hebben vorige week onze lijst-aan-de-muur uitgebreid naar 70 gebaren. Dat lijkt heel veel. Een richtlijn die we hanteren, is dat wij minstens twee keer zoveel gebaren willen gebruiken, dan dat Pluk doet. En dan valt 70 wel mee, zeker nu ze  bijna elke dag een nieuw gebaar leert. Bovendien kennen we de meeste gebaren nog uit de tijd dat we met Jip gebaarden, dus hoeven we niet zo veel te oefenen.

Ik ben heel benieuwd hoe Pluks gebaren zich verder gaan ontwikkelen!

Huisvlijt

Dit logje stond al heel lang in m’n drafts, omdat ik de foto’s er nog bij moest zoeken.

Toen de Technicus net afgestudeerd was en ik nog ouderschapsverlof had, hadden we tijd over. Tijd die we besteed hebben aan oogsten en de oogst verwerken. We hadden een hoop courgette en pompoen van eigen tuin. Daarnaast zijn we door de buurt gaan fietsen, op zoek naar volle appelbomen. Van voorgaande jaren wisten we dat mensen meestal enthousiast reageren als je vraagt of je wat appels mag hebben. Dan worden de appels tenminste gebruikt, antwoordt men dan.

Huisvlijt 1

We hebben tassen en fietskarren vol mee naar huis mogen nemen. Er was één boom die zó verschrikkelijk vol hing met de heerlijkste appels die je je maar voor kunt stellen, en waar die mensen totaal niet in geïnteresseerd waren, dat we niet konden stoppen met plukken. In totaal hebben we – hou je vast – ruim 150 kilo appels mee naar huis genomen. Gratis en onbespoten. We hebben zowaar alles verwerkt.

Van bijna 77 kilo appels hebben we 64 liter appelmoes gemaakt en geweckt. Veel? Vorig jaar hadden we 64 potten, waarvan we er nog 7 over hadden. Ja, het is een hoop werk. Maar die tijd krijg je terug als je razendsnel een overheerlijke geweckte maaltijd op tafel kunt toveren.

Huisvlijt 2

Van 12 kilo appels (80 stuks) hebben we 10 liter appelchips gemaakt. Nog meer appelchips volgden in de loop van oktober. Totaal: ongeveer 70 kg appels tot 60 liter appelchips gedroogd. Ik geloof dat er nu, eind december al ruim 20 liter op zijn. Daar komen we het jaar niet mee door… 

Huisvlijt 3

En tussendoor hebben we natuurlijk een hoop appels zó op gesmikkeld.

Van afgeprijsde tomaten uit de supermarkt, en courgettes van eigen tuin hebben we 6 liter tomatensoep en 6 liter courgettesoep geweckt. Eén pot tomatensoep was mislukt tijdens het wecken en moesten we daarom meteen opeten. Vervelend. ;-)

Huisvlijt 4

Van nog meer afgeprijsde tomaten hebben we 6 halve liters tomatensaus geweckt. Goedkoper en lekkerder dan gekochte tomatensaus

Huisvlijt 5

Daarnaast heb ik de vriezer weer eens volgestopt met ‘snackbrood.’ Snackbrood is geweldig. Het is een brood met pitten, rozijnen en abrikozen, dat zowel de kinderen als wij eten alsof het snoep is. Het is makkelijk te maken (niet kneden!) en ook na invriezen nog heerlijk. Ik maak meestal 4 stuks tegelijk.

Het recept voor 1 snackbrood:

  • 275 g speltmeel
  • 1 dl havervlokken
  • 125 g rozijnen
  • 125 g abrikozen in stukjes
  • 1 dl zonnebloempitten
  • 1 dl pompoenpitten
  • 2 tl bakpoeder
  • 1 tl zout
  • 4 dl yoghurt

Roer alles met een lepel door elkaar tot een  plakkerig deeg. Kieper het beslag in een ingevette cakevorm. Doe eventueel pitten bovenop, met een lepel erin gedrukt. Bak 1 uur op 175 graden. Smullen!

Ten slotte heb ik 2 nieuwe T-shirts voor Jip gemaakt. De ene, met politie-auto’s en andere voertuigen, is niet eens op de foto gekomen voordat ‘ie aan ging.

Huisvlijt 7

Huisvlijt 6

BZC – Hoe gaat het nu?

Sinds ze twee weken oud is, laten we Pluk regelmatig op het potje poepen en plassen. Nou ja, eigenlijk hebben we het potje nauwelijks gebruikt. De eerste paar maanden hielden we haar in zithouding boven de wasbak. Die is wat hoger dan de wc en dan hoef je als ouder niet zo te bukken. Toen ze daar te zwaar voor werd, zetten we haar op het potje, maar dat vond ze maar niks. Sindsdien ‘zit’ ze op de wc. Ik ga dan gewoon met m’n kleren nog aan op de wc zitten, helemaal naar achteren. Pluk zit daarbij tussen mijn benen in, heel veilig en gezellig tegen me aan.

Maar waarom doen we dat eigenlijk? Het zit zo. Het schijnt dat in veel culturen de kinderen vanaf hun geboorte ‘getraind’ worden om zindelijk te worden. In het grootste gedeelte van de westerse wereld, daarentegen, leren we kinderen juist om het in hun luier te doen. Om dat een paar jaar later weer af te leren. In plaats van luiers gebruiken, kun je er dus ook voor kiezen om meteen te ‘trainen’ (wat eigenlijk geen trainen is, maar dat leg ik hieronder uit). Ik vond het een interessant idee en dacht: waarom eigenlijk niet?

Voor ons waren twee dingen erg belangrijk in het BZC (baby zindelijkheidscommunicatie) proces. Ten eerste wilden we ook ‘gewoon’ luiers gebruiken, omdat we geen zin hadden in al te veel ‘ongelukjes.’ Ten tweede wilden we op geen enkele manier druk uitoefenen op Pluk, in de zin van dat ze zou moeten presteren. Dat was geen probleem, omdat het er bij BZC niet om gaat dat je kind op commando haar behoefte doet, maar dat je de signalen van je kind leert herkennen.

Wat wij hebben gedaan, is een ‘milde variant’ op BZC. We gebruiken dus luiers, en als we Pluk verschonen, zetten we haar ook even op de wc. Als ze niet wil, dan niet. Het grootste voordeel, vinden wij, is dat ze langer droog blijft en echt nog nooit problemen heeft gehad met haar huid. De signalen van wanneer Pluk moet plassen, herkennen we niet echt. Poepen daarentegen, is overduidelijk! Als we dat aan zien komen, dan is het een kwestie van Pluk oppakken, naar de wc lopen, luier af en gaan zitten. Nadeel is dat je op dat moment niet even kunt afmaken waar je mee bezig was. Groot voordeel is dat je geen billen hoeft te poetsen.

Toen Pluk een maand of zes, zeven was, wilde ze bijna nooit meer op de wc zitten. Ze ontwikkelde zich snel en wilde vooral weer verder spelen. We hebben dat gerespecteerd, af en toe geprobeerd of ze wilde, en nu vindt ze het weer prima. We hopen dat ze over een tijdje zelf gaat gebaren dat ze naar de wc moet.

Tot slot de resultaten tot nu toe in cijfers. Ik geloof dat het afgelopen half jaar de helft van de plasjes in de wc terecht zijn gekomen. En we hebben gemiddeld zo’n drie poepluiers… per maand.

Grenzen

Deze blogpost is de eerste in een serie over opvoeding en ouderschap – iets waar iedereen wel een mening over heeft dus. Spelregel is: je mag lezen wat ik vind en je mag precies het tegenovergestelde vinden. :-)

“Kinderen hebben duidelijke grenzen nodig,” is een veelgehoorde uitspraak. Voordat ik kinderen kreeg zou ik bevestigend gereageerd hebben. Maar ik ben het er niet meer mee eens.* Althans, niet op de manier waarop deze uitspraak meestal bedoeld wordt. In plaats daarvan beweer ik twee dingen:

  1. Kinderen hebben volwassenen nodig die duidelijk hun eigen grenzen aan kunnen geven.
  2. Kinderen hebben de ruimte nodig om hun eigen grenzen te verkennen en te bepalen.

In een plaatje ziet dat er zo uit: Niet de volwassene die de grenzen voor het kind bepaalt, maar die zijn of haar eigen grenzen aangeeft.

Grenzen

Gevolgen

Het grenzen stellen op deze manier bekijken heeft een aantal positieve gevolgen. Ten eerste is het goed voor de persoonlijke relatie. Door je eigen grenzen aan te geven, het beste door middel van persoonlijk taalgebruik (ik wil / ik wil niet, ik vind het leuk als / ik vind dat niet leuk), leert de ander jóu kennen. Je maakt contact. De grens die je op die manier aangeeft, is een persoonlijke grens en heeft een betekenis voor jullie relatie. Dit in tegenstelling tot uitspraken als ‘dat mag niet‘ of ‘hou daar eens mee op.’

Ten tweede laat je het kind in zijn waarde door niet zíjn grenzen te bepalen (je hebt nog niet genoeg gegeten), maar alleen je eigen grenzen aan te geven. Je tast de integriteit van het kind niet aan, en dat is volgens mij essentieel voor het gevoel van eigenwaarde.

En ten derde – en dat vinden wij beiden heerlijk – hoef je het als ouders niet volledig met elkaar eens te zijn! Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke grenzen. Een kind leert juist dat mensen verschillend zijn als vader en moeder niet precies dezelfde grenzen hanteren. Bovendien zijn persoonlijke grenzen van dag tot dag verschillend, afhankelijk van je humeur, vermoeidheid of wat dan ook – de ene dag vind je het gezellig als de kinderen op de piano spelen, de dag daarna vind je het te veel herrie. Niets aan de hand; daar kunnen de meeste kinderen prima mee omgaan.

In de praktijk

Bovenstaande stellingen proberen wij als richtlijnen te gebruiken. Het is zeker geen methode of handleiding. Elke situatie is uniek. Het blijft constant analyseren, aanvoelen, improviseren en ter plekke een “oplossing” bedenken. Een voorbeeld…

Jip wil nog wel eens Pluk op haar hoofd meppen. Als hij moe is, of boos, of gewoon om te kijken wat er gebeurt. In plaats van boos te worden of te zeggen ‘hou op, dat mag niet,’ probeer ik als volgt te reageren. (En dat lukt heus niet altijd.)

(Jip petst Pluk.)
Ik: Jip, ik vind het niet leuk dat je Pluk slaat, want dat kan pijn doen. Ik wil dat je daarmee stopt. (Pauze) Kun je me zeggen wat jij wilt?
Jip: Mama moet met Jip komen spelen. (Okee, hij voelde dus dat hij te weinig aandacht kreeg.)
Ik: Ik wil ook graag met jou spelen én ik wil nog even een was in de machine stoppen. Heb je zin om te komen helpen?

Je zou kunnen zeggen dat ik in bovenstaand voorbeeld niet mijn eigen grens, maar die van Pluk aangeef. Maar dat doet er niet echt toe. Stel dat Jip boos is en mij slaat, zou ik ongeveer hetzelfde kunnen zeggen: ‘Ik vind het niet leuk dat je me slaat en ik wil dat je daarmee ophoudt. Maar ik wil graag weten waarom je boos bent.‘ Niet dat ik verwacht dat een kind van bijna 2,5 dat kan verwoorden, maar ik kan hem wel laten weten dat ik geïnteresseerd ben.

Het tweede punt, kinderen hun eigen grenzen laten ontdekken, vind ik wat lastiger om te omschrijven. Dat probeer ik vooral door even te wachten voor ik iets zeg, even kijken wat hij zelf doet. Bijvoorbeeld als Jip zelf zijn jas aan wil doen, terwijl ik weet dat hij de rits nog niet dicht krijgt. Wie ben ik om meteen te zeggen: ‘ik help je wel even.‘ Als hij het zelf probeert en het lukt niet, is hij tegen zijn eigen grens aangelopen. Dan kan hij hulp vragen. Hij kan ook gefrustreerd raken. Dat geeft niet, dat hoort erbij. Moeilijker voor mij wordt het als Jip bijvoorbeeld op een grote steen wil klimmen waar hij vanaf kan vallen. Dan moet ik op mijn tong bijten, snel kijken of het niet écht gevaarlijk is, en hem laten gaan. Hij is er weleens vanaf gevallen. Dan doet mijn moederhart zeer, maar hij bepaalt zijn éigen grens als hij de volgende keer een kleinere steen uitzoekt.

Wat is het toch simpel als je het opschrijft. Zo is het in het dagelijks leven niet, hoor, hoewel ik regelmatig versteld sta van de effectiviteit van persoonlijk taalgebruik! Ik vind het zelf in ieder geval erg prettig om richtlijnen te hebben waar we achter staan, waar we ons goed bij voelen. Met die in het achterhoofd, en enige oefening, gaat er een hoop vanzelf!

* geïnspireerd door de ideeën van Jesper Juul

Kinderen achteruit

De Zweden (Scandinaviërs in dit geval) houden van veiligheid, vooral als het om de kinderen gaat. Zo rijden praktisch alle kinderen onder de 5 in de auto achteruit en zitten kinderen tot een jaar of 12 op een zittingverhoger. Overdreven, of niet? Ik wist nooit zo goed wat ik ervan moest denken. Tot we zelf kinderen kregen en ons in de kwestie gingen verdiepen.

Het is eigenlijk heel simpel: kijk het filmpje http://www.rearfacing.co.uk/

Door hun grote hoofd, onderontwikkelde wervels en zachte schedel, zijn kinderen veel kwetsbaarder dan volwassenen. Achteruit rijden is voor jonge kinderen vijf keer veiliger dan vooruit rijden. Kinderen in Zweden hebben een aanzienlijk kleinere kans om om te komen in auto-ongelukken dan kinderen uit andere landen. Ook ongelukken met ernstig letsel komen vele malen minder voor. En wat betreft zittingverhogers: die zijn niet bedoeld om je kind beter uit het raam te kunnen laten kijken. Zittingverhogers zorgen ervoor dat de gordel over de bovenbenen loopt, in plaats van over de maag. Bij kinderen zijn de heupen namelijk nog niet ver genoeg ontwikkeld om de klap bij een ongeluk op te vangen.

Het verbaast mij dat achteruit rijden in de rest van Europa nog niet standaard is. Dat zijn van die dingen waar je achter komt als je een poos in een buitenland woont – dat gewoontes sterk kunnen verschillen en dat landsgrenzen (nog) helemaal niet zo vaag zijn als ik dacht.

Meer informatie:
http://www.achterwaarts.nl/over
http://www.homebizlifestyles.com/kyledavidmiller/car-seat-safety-rear-facing-is-safest.html
http://www.rearfacing.co.uk/